Posts tonen met het label funeraire poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label funeraire poëzie. Alle posts tonen

donderdag 3 februari 2011

Ogen dicht

Bijschrift toevoegen
Egidius, waer bestu bleven?
Deze beroemde zin is de eerste regel van een van de oudst bekende Nederlandstalige rouwgedichten, het Egidiuslied. Ik schaar het gemakshalve onder de funeraire poëzie, maar officieel moet je zeggen elegie, een klaagdicht.

In dit lied beweent de spreker zijn zojuist gestorven vriend Egidius. Hij zegt hem te missen en beklaagt zijn eigen lot: hij immers moet nog door in het harde aardse leven, in de weerelt liden pijn, terwijl zijn vriend nu vreugdevol is opgenomen in de hemel. Hij vraagt hem een plaatsje naast zich voor hem vrij te houden: verware mijn stede di beneven.

Het Egidiuslied kennen we uit het Gruuthuse-handschrift. Dit boekwerk is rond 1400 geschreven in Brugge en bevat onder andere bijna 150 liederen met muzieknotatie. Vooral dit laatste is bijzonder, want muzieknotatie uit die tijd is, vooral voor wereldse liederen, zeer zeldzaam. Daarbij zijn de meeste teksten uniek, dus niet bekend uit andere overleveringen. Het Gruuthuse-handschrift is dus niet alleen belangrijk voor de cultuurgeschiedenis van onze streken, maar ook voor de taalkunde en muziekgeschiedenis.

Precies vier jaar geleden kon de KB het handschrift aankopen. Gelukkig maar, want al die eeuwen is het in particuliere handen geweest, wat voor een zeldzame cultuurschat altijd onwenselijk is. Aan de andere kant slaan de Belgen zich nog voor de kop, want het is natuurlijk een doodzonde dat dit bijzondere boek niet ligt waar het hoort: in Brugge.

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven!
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.
Nu bestu in den troon verheven,
Claerre dan der zonnen scijn.
Alle vruecht es di ghegheven.
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors die doot, du liets mi tleven.
Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven
Ende in de weerelt liden pijn.
Verware mijn stede di beneven:
Ic moet noch zinghen een liedekijn.
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors die doot, du liets mi tleven.


Nu blijkt het vandaag de dag nog niet mee te vallen om de zeer summiere muzieknotatie op een authentieke wijze weer te geven. Slechts enkele experts kunnen er wat van brouwen, en dan hebben ze nóg lekker wat om eeuwig over te blijven redetwisten.

Hieronder de vertolking van de Vlaming Paul Rans. Helaas zit er op Youtube dan weer een weerzinwekkend filmpje met zonsondergangen bij, (het gaat ten slotte over de dood, zullen de makers gedacht hebben). Ik raad je dus aan: ogen dicht, niet kijken, alleen luisteren:



Op de site van de KB staat veel over het Gruuthuse-handschrift, al mag het van mij nog wel wat uitgebreider: http://www.kb.nl/bladerboek/gruuthuse/index.html

dinsdag 7 december 2010

Dode hond

Funeraire poëzie is een duur woord voor rouwgedichten. Hoe je het ook wendt of keert, de dood is en blijft ten slotte het belangrijkste literaire thema. Kunnen wij ons leven wel bezien, zonder de dood in ogenschouw te nemen? Valt er überhaupt iets te dichten, zonder dat de dood ons in de nek hijgt? Opnieuw filosofische vragen, die u zelf thuis mag oplossen.
Kort geleden heb ik het gedicht geplaatst dat Constantijn Huijgens schreef toen zijn vrouw stierf. Een ontroerend gedicht dat de eeuwen doorstaan heeft, dat niets aan kracht verloren heeft. Dat is wat oprechte funeraire poëzie heet.
Het korte gedichtje dat hij schreef vanwege de dood van zijn hondje is natuurlijk van een volstrekt ander kaliber. Feitelijk mag je deze twee niet vergelijken, het zijn appels en peren. Huijgens heeft het dan ook nooit willen publiceren. Het was in zijn ogen een klein, sentimenteel onding. Het betrof dan ook slechts zijn hondje Gekkie:

Mijn Gekkies grafschrift
Dit is mijn hondjes graf
Ik zeg er niets meer af,
dan dat ik wenste (en de wereld was niet bedorven)
dat mijn klein Gekje leefde, en al de Groten storven.


Driehonderd jaar later schrijft Jan Hanlo over de dood van zijn hond. Op een heel andere wijze. Kort en krachtig. Absoluut niet sentimenteel en misschien daarom zo indringend:

Hond met bijnaam Knak

God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak

Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak


En de moderne tijd zou onze moderne multimediale tijd niet zijn als er niet een prachtige animatie van dit gedicht op Youtube te zien was:


zondag 5 december 2010

Meisjes die Sterre heten


Vroeger waren ze zeldzaam, meisjes die Sterre heetten. Tegenwoordig lopen er vele rond.  De laatste tien jaar zweeft deze voornaam rond de vijftigste plaats op de lijst van populaire meisjesnamen. Er komen er ongeveer 300 per jaar bij. Momenteel zijn er zoveel Sterres dat zij zelf, en vaak ook hun ouders die hen die naam toch gaven, niet meer weten waar de naam vandaan komt.

Dat was pakweg twintig jaar geleden wel anders. Als je toen een meisje aantrof met de naam Sterre, kon je er een eed op doen dat haar moeder Nederlands gestudeerd had. Die moeder, die zelf vaak Karin of Mieke heette, was zo onder de indruk geraakt van de poëzie van de 17de-eeuwse dichter Constantijn Huijgens, dat zij haar dochter naar zijn muze vernoemde.

En gelijk had ze, want zie hier het gedicht dat Huijgens schreef toen zijn vrouw Susanne van Baerle, zijn Sterre, stierf.


Op de dood van Sterre

Of droom ik, en is ’t nacht, of is mijn Sterr verdwenen?
Ik waak, en ’t is hoog dag, en zie mijn Sterre niet.
O Hemelen, die mij haar aangezicht verbiedt,
Spreek mensentaal, en zeg, waar is mijn Sterre henen?
De Hemel slaat geluid, ik hoor hem door mijn stenen,
En zegt: mijn Sterre staat in ’t heilige gebied,
Waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet,
En, voegt het lachen daar, belacht mijn ijdel wenen.
   
Nu Dood, nu Snik, meteen verschenen en voorbij,
Nu, doorgang van een Steen, van een gesteên, ten leven,
Dun Schutsel, sta nabij, ’k zal ’t u te dank vergeven;
Kom, dood, en maak mij korts van deze Koortsen vrij:
’K verlang in ’t eeuwig licht tezamen te zien zweven
Mijn Heil, mijn Lief, mijn Lijf, mijn God, mijn Sterr en mij.


v5: stenen = jammeren,klagen (steunen)
v8: het lijkt of de hemel me uitlacht, als dat mogelijk is
v10: doorgang van een steen= grafsteen, overgang tot hiernamaals
v11: dun schutsel= doorgang tussen aards leven en hiernamaals